Klacht en beroep

De AVG onderscheidt 4 soorten van beroep.

1. Klacht
2. instelling van een voorziening in rechte tegen een toezichthoudende autoriteit
3. instelling van een voorziening in rechte tegen de verwerkingsverantwoordelijke (artikel 79)
4. Collectieve instelling van een voorziening in recht (artikel 80)

Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, heeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, als hij van mening is dat de verwerking van zijn persoonsgegevens inbreuk maakt op de AVG.

De betrokkene kan die klacht indienen:

  • in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft,
  • in de lidstaat waar hij zijn werkplek heeft of,
  • in de lidstaat waar de beweerde inbreuk is begaan.

De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in kennis van de voortgang en het resultaat van de klacht, alsmede van de mogelijkheid een voorziening in rechte in te stellen krachtens artikel 78. In het kader van het coherentiemechanisme en wanneer een “leidende toezichthoudende autoriteit” werd aangeduid, blijft de toezichthoudende autoriteit bij wie de klacht werd ingediend, de contactpersoon van de klager.

In de praktijk moet de toezichthoudende autoriteit het indienen van een klacht faciliteren en hiertoe alle nodige maatregelen nemen, op zijn minst via een elektronisch formulier (zie supra).

Op Belgisch niveau bestaat de mogelijkheid reeds om een klacht in te dienen bij de Autoriteit. De Privacywet bepaalt immers: "Onverminderd enige vordering voor de rechtbanken en tenzij de wet anders bepaalt, onderzoekt de Gegevensbeschermingsautoriteit de getekende en gedateerde klachten die haar worden toegestuurd (...). De rechtspleging wordt geregeld in het reglement van orde”.

De AVG bepaalt dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht heeft om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit, een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.

Bovendien heeft iedere betrokkene het recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien de overeenkomstig de artikelen 55 en 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de ingediende klacht.

Een klacht tegen de toezichthoudende autoriteit is dus mogelijk in de volgende gevallen:

  • De toezichthoudende autoriteit heeft de klacht niet of slechts gedeeltelijk behandeld;
  • De toezichthoudende autoriteit heeft de betrokkene niet in kennis gesteld van de voortgang of het resultaat van de ingediende klacht (binnen de 3 maanden);
  • Tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van de toezichthoudende autoriteit (dus niet tegen adviezen of aanbevelingen).

Iedere procedure tegen een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd.

In België is de toestand nu nog onzeker. De Privacywet voorziet momenteel niet in deze mogelijkheid. Bijgevolg stellen zich twee vragen: welk is het statuut van de beslissingen die genomen worden door de Autoriteit en waar moet een klacht tegen deze beslissingen worden ingediend: bij de Raad van State of bij het Hof van Beroep van Brussel? De nationale wetgever moet deze kwestie oplossen.

De AVG bepaalt dat iedere betrokkene het recht heeft om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een verwerkingsverantwoordelijke als hij van oordeel is dat de rechten die hem door de AVG worden verleend, werden geschonden door een verwerking van zijn persoonsgegevens die werd uitgevoerd in strijd met de AVG.

Iedere procedure tegen een verwerkingsverantwoordelijke moet worden ingesteld:

  • bij de gerechten van de lidstaat waar de verwerkingsverantwoordelijke een vestiging heeft (een vestiging volstaat, het moet niet gaan om de hoofdzetel),
  • bij de gerechten van de lidstaat waar de betrokkene gewoonlijk verblijft, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke een overheidsinstantie van een lidstaat is die optreedt in de uitoefening van het overheidsgezag (in dit geval is de bevoegde toezichthoudende autoriteit deze waar de overheidsinstantie is gevestigd).

Vergeleken met artikel 14.2 van de Privacywet luidt de regel dat het de voorzitter is van de rechtbank van de woonplaats van de eiser die bevoegd is voor dit soort klachten.

De Privacywet voegt hier echter nog aan toe: "Indien de eiser geen woonplaats in België heeft, is de voorzitter van de rechtbank van de woonplaats van de verantwoordelijke voor de verwerking, die een natuurlijke persoon is, bevoegd. Indien de verantwoordelijke voor de verwerking een rechtspersoon is, is de voorzitter van de rechtbank van de maatschappelijke of administratieve zetel bevoegd”.

Er zijn twee gevallen voorzien in de AVG:

  1. de vertegenwoordiging kan plaatsvinden met een mandaat van de betrokkene
  2. de vertegenwoordiging kan plaatsvinden zonder een mandaat van de betrokkene.

Enkel organen, organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht, die statutaire doelstellingen hebben die in het publieke belang zijn en die actief zijn op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens zullen kunnen optreden. De voorwaarden voor de vertegenwoordiging van de betrokkenen, zoals vastgesteld in de AVG, zijn dus uiterst strikt.

Eerste geval: de betrokkene verleent een mandaat aan een dergelijk orgaan om in zijn naam een klacht in te dienen, in zijn naam de rechten uit te oefenen bedoeld in artikelen 77, 78 en 79 en in zijn naam het recht uit te oefenen om schadevergoeding te eisen zoals bedoeld in artikel 82, doch enkel indien het lidstatelijke recht daarin voorziet.

Tweede geval: De vertegenwoordiging hangt af van het optreden van de lidstaten. De lidstaten kunnen inderdaad bepalen dat een orgaan, organisatie of vereniging over het recht beschikt om onafhankelijk van de opdracht van een betrokkene in die lidstaat klacht in te dienen bij de bevoegde toezichthoudende autoriteit en de in de artikelen 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen, indien het/zij van mening is dat de rechten van een betrokkene uit hoofde van de AVG zijn geschonden ten gevolge van de verwerking. In dat geval kan de vereniging een schadeloosstelling vragen in naam van de betrokkene.

Deze tweede mogelijkheid bestaat momenteel niet in het Belgisch recht. De AVG maakt hiervan geen verplichting maar laat dit over aan de beoordeling van de nationale wetgever.